Sonja (1988) houdt evenveel van het verleden als van de toekomst. In haar schrijven combineert ze dan ook de genres science fiction en historische fictie/fantasy met haar twee andere grote liefdes: avontuurlijke verhalen en bijdehante personages. Daarnaast put ze vaak uit haar ervaring als Egyptoloog en geschiedkundige, wat meer woordgrappen oplevert dan wellicht gezond is.

Ze is getrouwd met Michael, die ze in 2005 ontmoette op een inmiddels verdwenen schrijverssite. Hij doceert Latijn op het lokale gymnasium en heeft zich vooralsnog niet over laten halen om zelf ook weer te gaan schrijven. Hun dochter is halverwege 2020 geboren.

In 2015 is Sonja afgestudeerd als Egyptoloog aan de universiteit Leiden. Haar specialisatie is de Edwin Smith Papyrus, specifiek de behandelmethoden van traumatische hoofdwonden. Ook de vele andere medische en magico-medische papyri kunnen haar bekoren en het is dan ook erg gevaarlijk om haar een vraag te stellen over een ziekte, ingrediënt of behandelmethode. Het kan zomaar een geïmproviseerde lezing opleveren.

Het moge dan ook geen verrassing zijn dat de meeste van haar projecten zich of in het oude Egypte afspelen, of daar zijdelings iets mee te maken hebben. Al is het maar een kleine woordgrap.

PUBLICATIES

Onderdruk – HSF magazine nr. 272, dec. 2020

Ridaia versus de tijd – HSF magazine nr. 276, dec. 2021

MENSEN/SPELLEN – HSF magazine nr. 277, maart 2022

 

VERWACHT

De oneindige ongelukkigheden van Pa-wer, in “De bar met duizend deuren”, ed. Johan Klein Haneveld, Uitgeverij Macc, okt. 2022

Zij die in de mond is, of: de tuinen van Saweh, in “Verder voorbij de storm”, ed. Johan Klein Haneveld, Uitgeverij Macc, 2023

 

 

 

 

PROJECTEN

Desjeret
roman, historische fictie, Middenrijks Egypte (NL)

Amduat
roman, historische scifi, Nieuwerijks Egypte (EN, samenwerkingsproject met Marleen Oosterbaan)

Hiu of the Sands
novelette, historische fantasy gebaseerd op Egypte (EN)

De dierenvriendjes van kleine Toet
prentenboekenserie, historische fictie, Amarna-periode, Toetanchamon (NL, samenwerkingsproject met Marleen Oosterbaan)

Kroonprins Thoetmose
jeugdroman, historische fictie, Nieuwerijks Egypte (NL)

 

 

 

Smaakproef

‘Weet je wat ik nog steeds niet snap?’

Met moeite weerhield Moira zich ervan haar ogen op te slaan. Ze stond schouder aan schouder met Laviz in de schaduw van een nis, hun ruggen tegen de koele metalen muur. Hun doelwit was een uur geleden de bar om de hoek binnengelopen en kon op elk moment weer naar buiten komen.

‘Dat je stil moet zijn?’

De tweede middagklok had geslagen. Het gros van de werkers was al terug op de dokken of in hun werkplaatsen, slechts een handvol mensen liep nog door de straten van het ruimtestation.

Naast haar grinnikte Laviz. ‘Wat je in zo’n ouwe smeerlap als Len Covis zag.’

‘Oh kom op, dat heb ik je al verteld.’

Laviz wuifde achteloos met haar hand. ‘Romantisch, bedoel ik. Dat je opgewonden raakt van technologie weet ik ondertussen wel.’

Moira’s oren werden warm. Niet van schaamte – iedere ingenieur met een beetje gezond verstand zou de kans grijpen om met Covis-apparatuur te werken. Ze snapte gewoon niet wat Laviz, die in geen enkele man of niet-vrouw geïnteresseerd was, met die kennis wilde.

‘“Romantisch” is het woord niet. Ik ben de beste biomedisch ingenieur die hij ooit ontmoet heeft. Natuurlijk deed hij veel moeite om mij bij zich te houden, met van die grootse gebaren die door moeten gaan voor romantiek. Dagtrips naar resorts op Hodesca, de nieuwste gadgets, dat soort onpersoonlijk geneuzel. Het enige wat we echt gemeen hadden was skeier-dansen.’

Laviz klakte met haar tong. ‘Ik geloof nooit dat volksdansen alleen een solide basis voor een relatie is.’

‘Skeier is meer dan een volksdans, het is een kunstvorm. De wiskundige grondslag…’

Aan de vage omtrek van Laviz’ grijns in de schaduwen zag ze dat ze zich blijkbaar weer uit de tent had laten lokken. Moira zuchtte. ‘Enfin. Ik was 18 en ik kreeg mogelijkheden die ik anders nooit gehad zou hebben. Na een half jaar was ik wel over zijn geslijm heen, en zo’n goede danser is hij nu ook weer niet. Tegen die tijd wist ik echter ook hoe hij zo rijk was geworden.’

Ondanks de strikte imperiale controles had Len bijna het monopolie op medische apparatuur op Moira’s thuisplaneet Trisan. Het was een prestatie waar ongetwijfeld smeergeld aan te pas was gekomen, maar zijn grootste voorsprong op de concurrentie was de handvol werkplaatsen hier in de Periferie, waar de imperiale politie hoogstens kwam om voortvluchtige rebellen op te pakken. In labs zoals op dit station bewaarde hij de illegale technologie waarmee hij zijn eigen apparatuur clandestien verbeterde.

Dat alles wist Laviz ook, evenals dat Moira hier in het lab had gewerkt én dat ze drie maanden eerder halsoverkop van Trisan had moeten vluchten omdat Len erachter was gekomen dat ze hem had bestolen. Laviz had haar namelijk uit die benarde situatie gered. Wat ze niet wist, was dat Moira een aandoening had waarvoor het medicijn alleen door Lens bedrijf gemaakt werd. En haar voorraad begon op te raken.

‘Ik heb –’

‘Wacht,’ onderbrak Laviz haar. Ze had haar ogen gesloten.

Enigszins opgelucht richtte Moira haar aandacht weer op de straat voor hen terwijl Laviz zich op de bar concentreerde.

 Een eigenaardigheid van de vrouwen van Laviz’ ras was dat ze de intenties van individuen konden lezen, als een sensor die zowel door muren als schedeldaken heen drong. In het begin was ze nerveus geweest dat Laviz háár zou peilen, maar zij had verzekerd dat het minder moeite kostte om gewoon af te wachten wat iemand zou doen. Moira had haar op haar woord geloofd.

‘Hij komt,’ zei Laviz.

“Hij” was Lens assistent-ingenieur. Na hun breuk had Len al haar toegangscodes geblacklist, en omdat Moira er nog niet in geslaagd was alle encryptiecodes te breken, hadden ze verkozen om via een meer traditionele manier binnen te komen: spionage.

De nis waar ze in stonden keek uit op het laboratorium, een onooglijk gebouw dat zich voordeed als administratief kantoor. Vroeger, voordat het station op draadloze communicatie was overgegaan, had hier een oproepunit gestaan. Zonder diens verlichting was de nis donker genoeg om ook tijdens de daguren twee vrouw volledig te verbergen.

Laviz haalde haar laserpistool tevoorschijn. ‘Gewoon, voor de zekerheid,’ zei ze.

Hoofdschuddend pakte Moira haar opnamelens en zette het frame op haar neus. Ze gleed met haar vinger over de zilveren rand totdat de lens het toegangspaneel naast de deur zo ver had vergroot dat ze de individuele toetsen kon zien. Toen de assistent-ingenieur in zicht kwam tikte ze de opname aan. Aangeschoten als hij was, deed hij niet zijn best om de code die hij invoerde te verbergen. Zijn achteloosheid was duidelijk nog niet veranderd. Hij had altijd al het geluk gehad dat hij, wanneer nuchter, werk voor drie deed.

De deur gleed open. Toen de ingenieur naar binnen verdween, liet Moira met een veeg van haar vinger de opname in haar blikveld afspelen. Voor de zekerheid.

‘En?’ vroeg Laviz.

Moira zette het apparaat uit. Haar geheugen had haar ook dit keer niet gefaald. ‘Ik heb de hele code, natuurlijk,’ zei ze, voldaan glimlachend.

Laviz stak lachend haar pistool weg. ‘Ik vind het heerlijk dat je zo zeker van jezelf bent.’

‘Iemand moet het zijn.’

‘Waar gaat dat strakke kontje heen, mop?’

SMAK!

Zonder nadenken had Ridaia zich omgedraaid en haar vuist in ’s mans maag geplant. Hij klapte dubbel, viel voorover van zijn kruk en sloeg tegen de grond. Zijn happen naar adem ging verloren in de noten van een antiek nummer over autolichten dat door de bar heen galmde. De kerel die naast hem had gestaan keek drie tellen lang naar de figuur op de grond voordat hij zich omdraaide naar Ridaia. Hij had een rookstok aan zijn onderlip hangen die het gevecht met de zwaartekracht binnen afzienbare tijd leek te gaan verliezen. Een walm van bitter bier kwam van hem af.

‘Wat is jouw probleem?’ spoog hij, en jawel, daar viel de sigaret uit zijn mond. As liet een kleine zwarte smeer achter op de betegelde vloer.

Ridaia snoof. Haar probleem kon worden samengevat in vier woorden: jarenlang onderzoek voor niets. Maar dat waren zijn zaken niet. ‘Wat is zíjn probleem,’ zei ze met een gebaar naar de man op de grond, ‘dat hij vrouwen zo aanspreekt?’

Om hen heen was het geroezemoes van de bargasten zachter geworden. De anderen die aan de toog hadden staan drinken keken toe met uitdrukkingen die het midden hielden tussen geamuseerdheid en interesse.  

‘Wie denk je wel niet dat je bent joh, trut!’

‘De keizerin van de Melkweg,’ antwoordde ze. ‘En je hebt geluk, want als dit het Keizerlijk Paleis was geweest, hadden ze je kop er al afgehaald en in de galerij der dwazen gezet, zodat je de rest van je leven naar het geweeklaag van de doden kon luisteren.’

Zelfs in de volle bar droeg haar stem tot in de uithoeken van de ruimte. De klandizie was nu volledig stilgevallen; meerdere mensen hadden zich omgekeerd om te zien wat er aan de hand was. Achterin zag ze Irfan staan, een gelaten uitdrukking op zijn gezicht terwijl hij iets tegen de vrouw die naast hem stond zei. Aan het andere einde van de toog draaide de barman de volumeknop van de antieke muziekspeler naar beneden. Ridaia richtte haar aandacht weer op de ruziezoeker –

– en kon net op tijd zijn arm wegslaan voordat zijn vuist haar neus raakte.

Fronsend greep ze hem met haar rechterhand bij zijn kraag. ‘Doe even normaal,’ zei ze, trok hem naar voren en sloeg zijn hoofd zo hard tegen de toog dat de bons door de bar galmde. Verward zakte ook hij op de grond, met zijn ene hand steun zoekend bij de poten van de barkruk naast hem. De ander hield hij tegen zijn voorhoofd.

Aan de andere kant van de bar duwde Irfan een paar mensen opzij. De barman had inmiddels een ouderwetse telefoon uit zijn zak gevist. Al met al was het duidelijk tijd om weg te gaan. Ridaia graaide een handvol munten en papiertjes uit haar zak, sloeg die neer op de toog en haastte zich naar buiten. De barman riep haar nog na dat ze beter niet terug kon komen, wat ze negeerde.

De zware deur sloeg achter haar dicht, de klap echoënd in de plotselinge stilte. Ridaia sloot haar ogen. De bar lag aan een het einde van een doodlopende weg; een kale winkelstraat die op dit tijdstip compleet verlaten was. Afgezien van het onkruid dat tussen de voegen van de tegels omhoogkroop, was er geen groen te bekennen. Het enige licht kwam van de lantaarnpalen. Zelfs de oude Melkweg was niet zichtbaar.

Ze zou nooit wennen aan de aanblik van een totaal andere nachtlucht. Ridaia liep snel over de parkeerplaats. Ze had haar schip in de rechterachterhoek geparkeerd, in de schaduw van een laag bijgebouw. Die schaduw was meer voor haar eigen gemoedsrust dan omdat haar schip het nodig had. Dankzij de verwisselaar zag deze eruit als een Lotus Omega, een model dat niet op zou vallen tussen de andere automobielen. Tenminste, in theorie. Het was haar eerder die avond al opgevallen dat het handjevol auto’s dat hier geparkeerd stond het vloeiende design had van een later stadium van de Laatkapitalistische Era. Ze had het bord in de deur waarop stond dat klandizie zonder vaccinatie niet mogelijk was nog geprobeerd weg te redeneren. Maar de kalender aan de muur naast de muziekinstallatie, waar 2029 op had gestaan in plaats van 1999, had ze niet kunnen negeren.

Het was niet gemakkelijk om toestemming te krijgen voor temporele archeologie; een standaard opgraving kostte genoeg energie om een stad één jaar lang van alle nutsvoorzieningen te voorzien. Toestemming krijgen voor opgravingen op Aarde? Dat was zo goed als onmogelijk. Ridaia had al haar diplomatieke vermogen aan moeten wenden om de tijdsraad te overtuigen en zelfs dan had ze er slechts twee dagen opgraven aan overgehouden met zo’n summier energiebudget dat 1999 haar beste kans was geweest. In dat jaar was de Waste Isolation Pilot Plant geopend, een reliek van de oude nucleaire energie. De mensheid had millennia geleden de oude Aarde afgeschreven, hun nieuwe thuis tussen andere sterren in de Melkweg gemaakt. Haar onderzoek naar de geschiedenis van de nucleaire energie was deel van een beweging die een terugkeer mogelijk wilde maken. De Aarde was echter zelfs nu nog onbewoonbaar. Hoewel ze inmiddels de technologie hadden om het klimaat te herstellen, was de aanwezigheid van zoveel afval – kern-, plastic- of anderzijds – een van de redenen voor de politiek om deze planeet als een afgesloten hoofdstuk te beschouwen. Als Ridaia wilde slagen in haar opzet, moest ze weten waar al het nucleaire afval lag opgeslagen, want de regering zou nooit de hoeveelheid energie willen aanwenden die nodig was om een vloot naar de andere kant van de Melkweg te sturen en de hele Aarde te scannen.

Vloekend sloeg ze op het dak van de Lotus. Vier jaar lang had ze deze opgraving voorbereid. Ze had gedacht dat ze het kalenderverschil tot op een paar jaar had opgelost; het besef dat ze toch drie decennia scheef waren gereisd, deed haar maag samenknijpen.